Als je werkzaam bent bij de NS, of een ander bedrijf in de publieke sector, kom je onlosmakelijk in contact met een verscheidenheid aan mensen. Dat staat garant voor het feit dat geen dag hetzelfde is. Nooit. En dat vind ik heel fijn. Er is wel een verschil te maken tussen de werkweek-reizigers en de weekend-reizigers. De weekend-reiziger bevindt zich ook wel eens tussen de werkweek-reizigers, alleen valt de weekend-reiziger dan een stuk minder op; hij of zij wordt verzwolgen in de stroming van werkweek-reizigers.
Dat je in aanraking komt met zo’n diversiteit aan mensen, betekend dat je ongetwijfeld een keer iemand treft die behoeftig is aan hulp. Dat kan zijn omdat de reiziger het ‘uit-tsjek-kassie’ niet kan vinden, omdat de persoon op zoek is naar een vergaderlocatie of omdat het niet meer duidelijk is waar de trein van 13.02 uur naar Rotterdam is gebleven. Gelukkig kan ik deze reizigers vaak een helpende hand bieden, door aan te wijzen in welke richting ze moeten lopen, of door te zeggen dat de trein vandaag van spoor 9 vertrekt. Maar soms lukt dat niet.
Na nog een paar voorzichtige stappen komt hij tot stilstand. Zijn gezicht maakt een vertwijfelde indruk. Nog een paar keer tikt hij met zijn blindengeleidestok om zich heen. “Ben ik al ver genoeg doorgelopen?” zie ik hem denken. Even twijfel ik zelf. Zal ik naar hem toe gaan? Nogmaals tikt de man met zijn stok voor hem op de grond en zet twee stappen vooruit. Ik loop naar de man toe, ga naast hem staan en tik heel voorzichtig met mijn linkerhand op zijn bovenarm.
Met een “Meneer, goede middag. Ik ben van de Nederlandse Spoorwegen,” stel ik me voor aan deze onbekende man. “Kan ik u misschien ergens mee helpen?” vraag ik vriendelijk. “Nou… Eigenlijk wel. Ik ben op zoek naar de trein naar Houten. Spoor 18 of 19, klopt dat?”
“Ja meneer, dat klopt. Maar u staat nu bij de roltrap richting spoor 5 en 7. Loopt u maar even mee!” antwoord ik de man. Tot ik me realiseer dat die man blind is en mij helemaal niet kan ‘volgen’. Snel vervolg ik mijn antwoord “Zal ik u een hand geven, dan raakt u me niet kwijt.” Kennelijk heeft hij dit soort gestuntel vaker mee gemaakt, want hij glimlacht en zegt dat het hem een goed idee lijkt.
Met zijn stok vooruit gestoken, tikkend op de vloer, lopen we hand in hand richting spoor 18 en 19. We komen aan bij de trap en uit gewoonte ben ik al bijna op de eerste trede gaan staan. Snel waarschuw ik de blinde man, die nog steeds mijn hand vast heeft. “Ik had het gemerkt”, al tikkend met zijn geleidestok. Weer een glimlach en we dalen voetje voor voetje de trap af. Ik raak gewend aan het feit dat hij niks kan zien en merk hem op dat ik hem naar de achterste coupé van de trein breng en dat de trein op spoor 18 staat. “Meneer,” vraagt hij mij, “weet u wanneer de treinen van spoor 18 en 19 vertrekken? Dat verschilt namelijk zo vaak.” Een terechte vraag. Wij kunnen het zien waar de trein gereed staat, deze man leeft op routinehandelingen. Elke keer als iets af wijkt, zal hij daar opnieuw aan moeten wennen. Helaas moet ik hem het antwoord op zijn vraag schuldig blijven. Bij de trein aangekomen “we gaan naar links en u staat nu voor de deur!” zoekt hij zijn weg naar binnen. “Ik zoek wel een plekje op het balkon, voor dat korte stukje naar Houten lukt dat prima. Hartelijk bedankt voor uw hulp, meneer!” en met een “Graag gedaan, het was een kleine moeite. Fijne reis!” draai ik me om en ga op weg naar mijn auto.
Om even terug te komen op de weekend-reiziger, dat zijn vaak (niet altijd) mensen die een dagje uit gaan. De trein als een attractie an sich ervaren. Meestal vergezeld met familie of vrienden. Met je vriend een terrasje pakken in Utrecht, met pa en ma naar de vakantiebeurs, of samen met je broertje en oma ‘even met de trein’. Zelf deed ik dat laatste ook met mijn oma. Als ik dan in het weekend bij oma mocht logeren, wilde ik altijd graag met de trein. Dan gingen we van Amersfoort naar Amersfoort Schothorst, en soms zelfs helemaal naar Nijkerk. We liepen een rondje over het station, kochten een ijsje bij de kiosk en dan wachtten we op het bankje tot de trein naar Amersfoort kwam.
“En daar zit de zsjooveur, toch oma?” riep het jongetje wijzend naar de cabine. Ik moet glimlachen, want ik denk terug aan vroeger. Oma glimlacht naar mij terug. “Ja, daar zit de machinist!” antwoord ze haar kleinzoon, die inmiddels alweer naar een andere trein staat te wijzen. “Kijk, dit is de machinist van de trein,” wijst ze in mijn richting. Even ben ik de attractie geworden. “Ben jij de mazienist?” vraagt hij, terwijl hij vol ongeloof omhoog staat te kijken. Glimlachend geef ik het toe. Ik sta bij mijn cabinedeur en zoek de sleutel in de zak van mijn colbert. “Heb je wel eens voorin, in de cabine, mogen kijken?” en ik draai met de sleutel mijn deur van het slot. Oma valt hem bij “Nee hè? Je hebt nog nooit in de cabine gekeken.”
Het jongetje bevestigd het, door heel hard nee te schudden. Ik had de vraag uiteraard niet gesteld, om hem vervolgens te zeggen dat hij dat vandaag ook niet zou doen. Voor ik het weet, zit hij al op de machinistenstoel. “Nergens aankomen, Nick! Anders wordt de machinist boos op je!” roept oma naar hem, vanaf het perron. Ik negeer haar. “Je moet me wel even helpen, want de trein moeten we opstarten,” en ik draai de stuurstroomsleutel in het contact. “Trek die handel maar naar je toe,” en samen nemen we de remproef. Glunderend til ik hem weer uit de cabine, nadat hij eerst alle knopjes heeft gezien. “Hij vindt dit altijd zo leuk. We gaan heel vaak even met de trein,” zegt oma. “Er is eigenlijk geen weekend dat hij niet vraagt ‘Oma, gaan we naar de treinen kijken?’,” legt ze mij uit.
Ik neem afscheid van Nick. “Waar gaan jullie naar toe?” vraag ik hem. “Naar huis, toch oma?” en oma knikt. In Soest moeten ze er weer uit. Snel stappen ze in, want de conducteur blaast op zijn fluitje.
Onderweg denk ik nogmaals terug aan vroeger. Niet alleen met mijn oma ging ik met de trein, maar op zondagmiddag ging ik ook wel eens ‘treinen kijken’ met mijn vader. Als er dan even geen treinen kwamen, zochten mijn broertje en ik naar kikkers of bloemetjes. En dan weer heel hard zwaaien naar de trein als hij langs kwam en maar hopen dat er getoeterd werd.
‘Het volgende station is Soest. Station Soest’, galmt het door de trein. Ik ontgrendel de deuren en zie Nick naar voren rennen en begint te zwaaien. Ik stap uit en zeg dat ik hier nog even blijf staan. “Net zoals de andere trein, vanochtend. Weet je dat nog, Nick?” zegt oma hem. De tegentrein komt binnen en ik loop terug naar mijn cabine. Oma heeft inmiddels plaats genomen op het bankje op het perron. Nieuwsgierig volgt Nick me nog naar de deur. “Pas je op voor je vingers?” vraag ik hem. “Ik ga de deur dicht doen, want ik moet rijden!” en hij doet een paar stappen achteruit. Ik ga zitten en zie Nick wederom naar voren rennen. Met beide armen boven zijn hoofd heen en weer begint hij mij uit te zwaaien. “Daaaaaaaaag” of “Doeeeeiii” zie ik zijn lippen bewegen. “Daaaaaaaag mazjieniiiiiiiiiisst!” zie ik hem mij duidelijk toeschreeuwen. Ik toeter kort even en zwaai terug. Hij verliest bijna zijn evenwicht van het onverwachte harde geluid, maar weet zich te herstellen en nog sneller gaan zijn handen heen en weer. Ik rij aan hem voorbij, op weg naar mijn volgende station.
Zou hij… Zou hij later… Zou hij later ook machinist worden?